Pandrecht en aansprakelijkheid bestuurder in privé

In financieringsovereenkomsten is vrijwel altijd bepaald dat de leningnemer verplicht is een eersterangs pandrecht op ‘roerende zaken’ te vestigen ten behoeve van de bank. Zo’n eersterangs pandrecht wordt meestal gevestigd op inventaris, voorraden en zelfs handelsvorderingen.

Indien een bank een eersterangs pandrecht op voornoemde zaken heeft, kan de bank deze zaken verkopen als de leningnemer niet meer aan zijn betalingsverplichtingen onder de leningsovereenkomsten voldoet. De bank kan zich dan als eerste verhalen op de opbrengst van de verkoop. Eventuele houders van een tweederangs pandrecht komen daarna pas aan de beurt en vissen daarom vaak achter het net.

Het komt regelmatig voor dat een onderneming in de loop der jaren leningsovereenkomsten met verschillende banken is aangegaan. Het kan dan goed zijn dat de leningnemer onder verschillende leningsovereenkomsten verplicht is een eersterangs pandrecht ten behoeve van verschillende banken te vestigen. De wet bepaalt echter dat een eersterangs pandrecht maar aan één bank gegeven kan worden. Een volgende bank kan slechts een tweederangs pandrecht verkrijgen, een derde bank slechts een derderangs pandrecht, etcetera.

De rechtbank Arnhem-Leeuwarden heeft zich recentelijk over de volgende situatie uitgesproken:

  • een ondernemer (besloten vennootschap) heeft in 2005 een financieringsovereenkomst afgesloten waarbij hij zich verplichtte tot het vestigen van een eersterangs pandrecht op auto’s ten behoeve van de financier.
  • De besloten vennootschap raakte in financiële moeilijkheden en kon niet meer aan zijn betalingsverplichtingen voldoen.
  • De financier probeerde vervolgens auto’s waarop het pandrecht rustte, te verkopen. Maar wat bleek: in 2001 had de besloten vennootschap al een eerste pandrecht op de auto’s aan een bank verstrekt! De financier viste daarom achter het net, want moest ‘achter aansluiten’ en had daardoor slechts een tweederangs pandrecht.

Het vervelende in deze zaak was dat de financier vervolgens de bestuurder van de leningnemer/besloten vennootschap in privé aansprak voor een bedrag van ruim EUR 1.900.000, omdat de financier meende dat de bestuurder een ernstig verwijt kon worden gemaakt door in de financieringsovereenkomst een eersterangs pandrecht toe te zeggen, terwijl dat juridisch niet mogelijk was omdat er al een eersterangs pandrecht op de betreffende roerende zaken rustte.

De bestuurder kwam er in dit geval goed vanaf: de rechtbank oordeelde dat ten tijde van het aangaan van de financieringsovereenkomst het voor de bestuurder niet voorzienbaar was dat de leningnemer/besloten vennootschap in de toekomst niet aan haar betalingsverplichtingen zou kunnen voldoen. De bestuurder had daarom niet ernstig verwijtbaar gehandeld en was in privé niet aansprakelijk.

Lorentz Bults

 

Comments are closed.