Banken vragen bij hun (zakelijke) kredietverlening vaak om twee soorten zekerheden. Op de eerste plaats zogeheten ‘zakelijke zekerheden’, zoals pandrechten en hypotheekrechten. De bank kan in geval van nood haar vordering verhalen op de zaken waarop de bank die zekerheden heeft gevestigd.

Ten tweede vraagt de bank vaak persoonlijke zekerheid, zoals borgtocht, garantie of hoofdelijke aansprakelijkheid. De bank kan dan in geval van nood haar vordering verhalen op een derde persoon, die de borgtocht, garantie of zichzelf als hoofdelijk medeschuldenaar aansprakelijk heeft gesteld.

Indien zo’n derde persoon daadwerkelijk door de bank wordt aangesproken, doorgaans voor een groot bedrag, wordt er vaak en begrijpelijkerwijs geprobeerd onder die aanspraak uit te komen. Er wordt daarom veel over persoonlijke zekerheden geprocedeerd.

In de jurisprudentie is omtrent de borgtocht bepaald, dat een bank bij het aangaan van de borgtocht een zorgplicht jegens de borg heeft. Vaak beroept een borg zich er daarom op, dat hij bij het aangaan van de borg bijvoorbeeld niet of onvoldoende is gewezen op de aan een borgtocht verbonden (financiële) risico’s. Dit soort verweren slagen lang niet altijd.

In een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 8 januari 2014 slaagt een beroep op schending van de zorgplicht door de bank wél. Het ging om de volgens situatie.

Twee vennootschappen kregen een startkrediet van EUR 50.000 van de Rabobank. De Rabobank had daarbij diverse zekerheden bedongen, in de vorm van verpanding van voorraden, inventaris, rollend materieel en debiteuren (zakelijke zekerheden); en van een borgtocht van de directeur-grootaandeelhouder van de twee vennootschappen (persoonlijke zekerheid).

De twee vennootschappen failleerden enkele jaren later, waarna de Rabobank haar vordering van EUR 50.000 probeerde te verhalen op de verpande voorraden, inventaris, rollend materieel en debiteuren: de Rabobank wilde overgaan tot het verkopen van die zaken. Helaas ging dat niet, omdat de Rabobank ten tijde van het vestigen van de pandrechten had verzuimd bepaalde formaliteiten in acht te nemen, waardoor de pandrechten niet rechtsgeldig waren gevestigd. De pandrechten bleken dus niet te bestaan en de bank had op die grond geen verhaalsmogelijkheid, terwijl de zaken die verpand hadden moeten worden, wel ruim voldoende waarde vertegenwoordigden.

Daarom sprak de Rabobank de directeur-grootaandeelhouder aan die borg stond voor het krediet. De directeur-grootaandeelhouder/borg verzette zich hier met succes tegen bij de Rechtbank Midden-Nederland. De Rechtbank overwoog namelijk:

Rabobank is in haar relatie met de borg tekortgeschoten in haar zorgplicht. Rabobank vroeg een pakket van zekerheden voor de verstrekking van het startkapitaal. De borg mocht ervan uitgaan dat zijn borgstelling onderdeel uitmaakte van dat pakket, waarmee vanzelfsprekend een bepaalde risicopositie van de borg samenhangt. Het is door een fout van Rabobank dat deze risicopositie heel anders werd. Als deze fout niet was gemaakt, had de bank zich geheel op een van de twee vennootschappen kunnen verhalen. Nu kreeg zij niets.”

De borg wist zich dus met succes te ontworstelen aan zijn verplichtingen onder de borgtochtovereenkomst.

Voor vragen of advies omtrent borgstellingen kunt u contact opnemen met de bedrijfsjuristen of het corporate finance-team van De Hooge Waerder.

mr. Lorentz Bults

 

Terug naar blog

 

Comments are closed.