Ontslag op staande voet houdt geen stand: gedragingen werknemer voldoen niet aan eisen ex art. 7:678 lid 2 onder g BW

 

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 26 november 2013 voorlopig geoordeeld dat het ontslag op staande voet dat werkgever aan werknemer verleend heeft op 29 november 2012 geen stand houdt nu niet voldaan is aan de eisen ex art. 7:678 lid 2 onder g BW (wanneer hij opzettelijk, of ondanks waarschuwing roekeloos, eigendom van de werkgever beschadigt of aan ernstig gevaar blootstelt).

Feiten
Werknemer in onderhavige kwestie is sinds 21 juni 1999 bij werkgever in dienst als vrachtwagenchauffeur. Bij brief van 27 juli 2011 heeft werkgever werknemer een eerste officiële waarschuwing gegeven in verband met een drietal schades die werknemer veroorzaakt had. Bij brief van 1 mei 2012 heeft werknemer een tweede officiële waarschuwing gekregen in verband met een tweetal schades die hij veroorzaakt had en werkweigering. Middels de brief d.d. 1 mei 2012 is tevens aangegeven dat bij een volgende schade door eigen schuld, werkweigering, of onjuiste informatie betreffende het werk en/of uren werkgever genoodzaakt zal zijn om verdere stappen te ondernemen, waaronder mogelijk ontslag op staande voet, waarbij is aangegeven dat dit inhoudt dat geen WW kan worden verkregen. Op 29 november 2012 is werknemer op staande voet ontslagen. In de brief van werkgever aan werknemer d.d. 30 november 2012 waarin de dringende reden van het ontslag is vastgelegd, is als reden onder meer aangegeven dat werknemer opnieuw als gevolg van roekeloos althans erg onzorgvuldig rijgedrag schade heeft veroorzaakt. Er was een paal omver gereden waardoor de fietsenvanger van de oplegger ernstig beschadigd is en bij het afkoppelen van een oplegger heeft werknemer de spatborden en de verlichting van de trekker er compleet afgereden. Voorts is onder meer aangegeven dat ondanks uitdrukkelijke waarschuwingen het rijgedrag niet is aangepast en werknemer roekeloos rijgedrag blijft vertonen met aanzienlijke schade als gevolg. Werkgever heeft in de brief aangegeven dat zij dit niet langer kan accepteren en heeft werknemer op staande voet ontslagen waarbij voor de beslissing tevens rekening is gehouden met de opstelling van werknemer en de andere incidenten. Bij e-mail van 7 januari 2013 heeft de gemachtigde van werknemer de nietigheid van het ontslag ingeroepen. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst op verzoek van werkgever voorwaardelijk ontbonden per 15 maart 2013. Werknemer heeft, kort gezegd, doorbetaling van loon gevorderd vanaf 29 november 2012.

Voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter heeft onder meer de gevorderde doorbetaling van loon gedeeltelijk toegewezen, namelijk eerst vanaf 7 januari 2013. De voorzieningenrechter heeft daarbij aangegeven dat naar haar voorlopig oordeel geen sprake was van een dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Anders dan werkgever is de kantonrechter voorshands van oordeel dat deze handelwijze daarmee niet als roekeloos ex art. 7:678 aanhef en onder g BW kan worden gekwalificeerd. De omstandigheid dat de schadevoorvallen zich volgens werkgever hebben voorgedaan na herhaalde waarschuwing en deel uitmaken van een reeks schadevoorvallen, leidt niet tot een ander voorlopig oordeel.

Hof
In onderhavige zaak doet zich de vraag voor of voldoende aannemelijk is dat voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst door werkgever zich een dringende reden heeft voorgedaan zoals werkgever aan dat ontslag ten grondslag heeft gelegd bij brief d.d. 30 november 2012.

Naar het voorlopig oordeel van het hof verdient het gedrag van werknemer bij de laatste twee schades in november 2012 het predicaat onvoorzichtig of onoplettend, maar een roekeloosheid in de zin dat sprake is van afwezigheid van alle redelijkerwijs te betrachten zorg valt mede gelet op de verklaringen van werknemer voorshands niet aan te nemen. Dat werknemer voordien tot twee keer toe was gewaarschuwd om beter op te letten en zorgvuldiger om te gaan met de vrachtwagen en de door hem vervoerde goederen naar aanleiding van eerder schadeveroorzakend gedrag maakt dit ook niet anders. De feitelijke gedragingen in november 2012 dienen uitgangspunt te zijn voor het oordeel of daarbij (bewust) roekeloos is gehandeld, en staan in beginsel los van de vraag of werknemer eerder was gewaarschuwd voor ander onzorgvuldig handelen. Dat werkgever door het gedrag van werknemer inmiddels het vertrouwen in de zorgvuldigheid van werknemer in de omgang met de hem toevertrouwde goederen had verloren is wellicht begrijpelijk, maar een opzegging van de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang heeft in het algemeen zodanig verstrekkende gevolgen voor een werknemer, dat van een dergelijke bevoegdheid door werkgever slechts met uiterste terughoudendheid gebruik kan worden gemaakt. De aan werknemer verweten gedragingen in de laatste week van november 2012 voldoen naar het voorlopig oordeel van het hof niet aan de in art. 7:678 lid 2 onder g BW genoemde eis van (bewuste) roekeloosheid zodat werkgever niet had mogen grijpen naar het zware middel van ontslag op staande voet.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 november 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:5656

 

Bron: ScherpinArbeidsrecht

 

 

Comments are closed.