Oproepkracht heeft steeds recht op betaling van drie uur loon per oproep, ongeacht het aantal oproepen per dag.

De Hoge Raad heeft zich in een recente uitspraak (HR 3 mei 2013, LJN BZ2907) gebogen over de vraag of artikel 7:628a van het Burgerlijk Wetboek altijd moet worden toegepast. Dit artikel is van toepassing op een arbeidsovereenkomst van minder dan 15 uur per week en waarin de tijdstippen waarop moet worden gewerkt niet zijn vastgelegd (een zogenaamd ‘oproepcontract’). Het bepaalt dat de werknemer recht heeft op uitbetaling van tenminste drie uur loon per oproep, ook als die werknemer korter aan het werk is geweest.

Wat was er aan de hand? Mevrouw X was in dienst bij een taxibedrijf voor 12 uur per week. Haar ritten werden een dag van tevoren aan haar doorgegeven, of op de dag zelf telefonisch aan haar opgedragen. Mevrouw X meent dat zij voor elke rit die zij heeft uitgevoerd tenminste drie uur moet worden uitbetaald op grond van de wet.

Het hof Leeuwarden wijst die vordering af. Het hof neemt als voorbeeld een dag waarop de totale werktijd 7,5 uur is geweest. Op die dag was mevrouw X zes keer opgeroepen en zij wilde dus voor 18 uur loon ontvangen. Het Hof Leeuwarden vindt dat te ver gaan en komt tot het oordeel dat dit niet de bedoeling van de wet kan zijn.

De Hoge Raad denkt daar toch anders over. Het wetsartikel is er onder andere op gericht dat de onzekere situatie van de werknemer die op oproepbasis werkt wordt verbeterd door voor iedere oproep ten minst drie uur loon toe te kennen. Dat dit kan leiden tot een ‘dubbele beloning’ maakt geen verschil. Het is namelijk, aldus de Hoge Raad, ook de bedoeling van de wet dat de werkgever wordt gestimuleerd het werk zodanig te organiseren dat een werknemer niet meermalen per dag wordt opgeroepen voor een korte periode. Als een werkgever dit niet lukt, dient de werknemer daarvoor te worden gecompenseerd. Ook als dat leidt tot het betalen van 18 uur loon voor 7 uur werk.

Deze uitleg van de Hoge Raad brengt met zich dat werkgevers zich nog eens goed achter de oren moeten krabben als zij veelvuldig personeel oproepen om korte tijd (minder dan 3 uur per keer) werkzaamheden te verrichten. Je kunt je afvragen of het niet beter is deze werknemers voor langere tijd op te roepen, de tijden vast te leggen waarop arbeid moet worden verricht, of eenvoudigweg een contract voor meer dan 15 uur per week te geven. In die gevallen valt men niet meer onder artikel 7:628a BW en wordt een situatie als deze voorkomen.

Meer weten over deze zaak en de gevolgen voor u? Neem gerust contact op.

mr. Tjerk Feenstra

 

Terug naar blog

 

Comments are closed.